Door op 28 oktober 2014

Een nóg eerlijker verhaal

Jan Menting is gestopt met het campagneleiderschap, maar niet zonder ons wijze lessen en krachtige oppeppers na te laten. Hij reageert op de twee verkiezingsnederlagen. Zijn reactie lag in de lijn van opmerkingen van partijgenoot Berend Buddingh uit Giessenlanden: ‘De PvdA had ooit een eerlijk verhaal, maar lijkt nu elk verhaal een beetje kwijt te zijn. Dat doet mij zeer. Omdat ik ook weet dat wij een partij zijn, die zoveel meer kan en  zo van belang is voor  de Nederlandse samenleving. Een partij ook die op alle niveaus het beste verdient’.

Jan Menting:

De rondzendbrief aan de leden van 23 maart zet me aan tot het formuleren van een weerwoord op enkele punten. Dit is niet alleen van toepassing op die brief, maar ook op onze politieke aanpak in het algemeen. Kort gezegd:

  1. De mensen, de kiezers worden te lankmoedig tegemoet getreden;
  2. Er wordt te zeer uitgegaan van de welwillendheid, de goedheid van de mens;
  3.  Onze politieke vertrekpunten moeten duidelijker en pregnanter worden herverwoord;
  4.  Bij actuele politieke beslissingen moet duidelijker de afstand ( vanwege omstandigheden- vanwege een compromis in een coalitie- wat ook ) tussen onze vertrekpunten (3) en die actuele, veelal noodzakelijke beslissingen worden aangegeven; een geven en nemen, een noodzakelijk uitstel, een nieuw gerezen omstandigheid: alles beter uitleggen.
  5. Rigoureus vermijden van versleten retoriek en van dooddoeners die iedereen kan uiten of onderschrijven.

Ad (1)
De kiezer wordt te veel naar de ogen gekeken en naar de mond gepraat.
‘De kiezer is de baas’, staat er in de brief. Welnee! De kiezer is vooral een passieve, zelfgenoegzame, verwende, klagende en pruilende consument, een non-kiezer, een non-burger, dom en op eigen voordeel belust, vol oppervlakkige kritiek, vooral op zijn rechten staand, de democratie niet waard die hem zo maar in de schoot wordt geworpen. Hij moet niet gepaaid worden, hij moet op zijn donder krijgen.

Dit geldt vooral ook de eigen, de traditionele achterban. Gebruik je verstand! Organiseer beter je eigen werkverband tot een strijdbare eenheid, een belangengemeenschap. Ga in ieder geval bij een vakbond en doe daar actief mee. Stem altijd ergens links, hoe dan ook, en laat je niet van die linkse wijs brengen door toevallige tegenslagen, door iemands mislukking of tekortkoming, door een verkeerd uitpakkende koers. Houd de uitgangspunten en de grote lijnen in het oog. En stém, in ieder geval!, ook als het regent. Niet stemmen is rechts stemmen. Verschuil je vooral ook niet achter een ‘ik doe al zo veel in de gemeenschap’. ‘Ik zit hier in de jeugdclubs…’ ‘Ik help in een verzorgingshuis…’ Mooi allemaal, maar in de politiek gaat het om het sturen van grotere en algemene belangen, en niemand kan zich een excuus aanmeten belangrijk genoeg om zich daaraan te onttrekken. Zoek politiek onderdak en dóé wat! Of houd verder je mond en sukkel of slaap of slaaf door. Eigen schuld…

Ad (2)
‘Allemaal samen’, en ‘Met elkaar’, zo vroom en zo zalvend mogelijk uitgesproken.
.. ik háát het. Het is grotendeels een leugen. De ‘goede wilde’ (le bon sauvage) uit de achttiende eeuw, de niet door de maatschappij gecorrumpeerde mens, heeft centraal gestaan in het liberale en socialistische denken dat zich destijds ontwikkelde. De mens wil het goede? Mooi niet! De mens is zelfzuchtig, egocentrisch en egoïstisch, probeert te overheersen of te onderdrukken. Het is misschien niet zo erg als het in de Heidelbergse catechismus staat: ” Geneigd tot alle kwaad, niet in staat tot enig goeds’, maar toch: náár! Alleen wetten en straffen en burgerverplichtingen houden hem wat in toom. Politiek moet dáárvan uitgaan en dáármee rekening houden. Niks lieve goedwillende mens. De internationale gemeenschap van werkers aller landen is ook een leugen gebleken. En niks allemaal samen.

Ad (3) en (4)
Wij zijn nog altijd een sociaal-democratische partij. Dat hield destijds het streven in naar een samenleving waarin gelijkheid tussen mensen in verschillende opzichten centraal stond. Zolang dat zo is en blijft, moet duidelijker worden uitgelegd en uitgedragen: waarom?

Dat betekent, op het geo-niveau waar we ons tegenwoordig bevinden, dat we in de eerste plaats de vraag moeten stellen, en zo goed mogelijk beantwoorden: Van wie zijn die bossen en velden, wie mag beschikken over al die lucht en al dat water, van wie zíjn al die rijkdommen aan grondstoffen? Van de mensen, de natie die er toevallig bovenop woont? En wie mag ze delven, verhandelen, exploiteren, er politiek mee bedrijven en winst maken? Het heeft hier geen zin verder te gaan, zo min wat betreft het belichten van nog zo veel meer facetten van het grote probleem ‘DIT IS VAN MIJ, VAN ONS!’ als wat betreft het uitoefenen van invloed, en al helemaal niet als politieke partij in een klein land. We moeten die centrale kapitale vragen echter wel stellen en proberen een antwoord te formuleren dat strookt met ons moderne levensgevoel en met de huidige verhoudingen in de wereld, en waarmee we in afgeleide vorm politiek iets zouden kunnen uitrichten op nationaal niveau.

Duidelijk is dat we op internationaal gebied moeten aansluiten bij wat haalbaar lijkt en wat het best bij onze denkbeelden aansluit. Gedachten over een ‘Proletariërs aller landen’ e.d. kunnen we gevoeglijk laten: twee wereldoorlogen en een reeks kleinere zijn voldoende bewijs ervoor dat zulks absoluut niet werkt.

In een kleiner verband – de E.U. bij voorbeeld – is het wel mogelijk een eigen socialistisch geluid te laten horen. De mogelijkheden hiertoe moeten worden gebruikt. Het gaat niet aan dat liberalen of christendemocraten de E.U.-gedachten en -verworvenheden kapen. Op dit niveau moeten de kiezers veel scherper gaan beseffen dat vanaf nu hier politiek te bedrijven valt en dat socialistische stellingnames er toe doen! Een socialistisch getint Europa, economisch/politiek gezien Rijnlands en Noord-Europees: dat willen we toch? Wordt daar een blauwdruk voor ontwikkeld?

Pas op het niveau van ons nationale parlement, in de pers en de media, bij verkiezingen en vergaderingen, kunnen we onze principes concreet en toepasbaar maken, en uitdragen. Dat moet dan ook duidelijk gebeuren: een simpel en pakkend geschreven beginselprogram, en als een afgeleide daarvan het verkiezingsprogramma, tevens leidraad voor een regeerperiode, geënt op de situatie van het moment. We moeten vooral niet schromen om het beginselprogramma steeds weer, bondig geformuleerd, als uitgangspunt te noemen en te nemen. Maar al te vaak zullen veel kiezers met weinig politieke ervaring het verkiezingsprogramma (want dát krijgen ze te zien of te horen; of nog minder: een samenvatting, een lijstje ‘punten’) zien als een verzameling wenselijkheden, die ze kunnen vergelijken met wenselijkheden van andere politieke zijde, om zo te komen tot een verlanglijstje voor de komende verkiezingen. Duidelijk moet de mensen worden voorgehouden dat het beginselprogramma een soort historisch onontkoombare noodzaak behelst, en dat je dáár met je stem já op zegt, dat dát het enige belangrijke is. Een verkiezingsprogramma is een afgeleide daarvan, richting gevend aan de praktische politiek van de komende vier jaar.

Wie PvdA stemt, moet weten dat…

         Wie dat niet doet, moet wel beseffen…

In de regering geldt eigenlijk iets vergelijkbaars: veel pregnanter, veel duidelijker maken waarom je als partij al of niet je in een coalitie begeeft, compromissen sluit, e.d. Dat wordt ook wel gedaan door onze bewindslieden en vertegenwoordigers, maar het blijft alles te diffuus, blijkbaar, voor de gemiddelde lezer/luisteraar/kiezer. En reken maar dat pers en media en de openbare mening erop springen als er iets lijkt niet te stroken met de partijlijn: ze maken gehakt van je, met een soort boosaardig genoegen, omdat nu eenmaal, voor pers en media, politici altijd uit zijn op eigen gelijk en glorie, en voor het publiek, omdat alle politici horen bij die ‘Hoge Heren In Den Haag’ die mij, arme sloeber die altijd zó hard werkt en altijd alles zó goed heeft gedaan, mijn laatste zekerheden ontnemen, mijn spaarcentjes ontfutselen.

Dit alles betekent bepaald niet dat je bang moet zijn voor wat ze zeggen en dat je van alles zou moeten proberen en beweren en beloven om maar een negatief oordeel te ontgaan. Verre van dat! Het lijkt me juist effectiever om agressief en uitdagend te zijn. Dit is ons beginselprogramma: Zeg maar eens nee, geef maar kritiek! En dit is ons verkiezingsprogramma, als een afgeleide daarvan, voor de komende jaren. Op grond daarvan steunen of stemmen we in dit concrete geval zus of zo, of zijn we in een compromis gestapt, onder dit of dat beding.
Val maar aan! Maar wel eerlijk. Wij staan voor wat we zeggen en toezeggen.

Ad (5) 
Tot ver in de vorige eeuw konden we teren op goedbekkende kreten uit het begin van de socialistische jaartelling, zoals: ‘Productiemiddelen in handen van de gemeenschap’, ‘Recht voor allen!’ ‘Ieder werkt naar vermogen en ontvangt naar behoefte’, ‘Gans het raderwerk staat stil als Uw machtige arm het wil!’, en na de Tweede Wereldoorlog zwakkere afgeleiden daarvan: ‘De sterkste schouders dragen de zwaarste lasten’, ‘Verzorgd van de wieg tot het graf’, ‘De welvaart eerlijk delen’, ‘Allemaal samen’, en ‘Met mekaar’.

Maar de romantische socialistische schwung was eruit. Twee wereldoorlogen en de nodige faliekante mislukkingen van dictatoriaal-socialistische aard hadden hun werk gedaan. Het kwam niet echt meer goed. Wim Kok had aan het eind van de eeuw gelijk met zijn veren-afschudderij. De ‘Internationale’ en het ‘Morgenrood’ klonken vals, er werd niet meer gekraaid, en zeker geen victorie. Er moesten nodig andere zienswijzen worden ontwikkeld en nieuwe parolen gekozen. En dát nu is niet voldoende gebeurd. Nog niet, nog niet duidelijk, in ieder geval niet duidelijk genoeg. Voor het grote publiek maakte de teloorgang van dat idealistische streven, en van de bindingen die het meebracht, onze voornaamste socialistische partij tot een middenpartij, in algemene poldermoddergevechten gewikkeld met een politiek links/rechts midden en met vakbonden en werkgevers, om een paar centen of procenten, om ontslagrechten en ww-voorzieningen. Belangrijk alles, maar niet fundamenteel, niet zo tot de verbeelding sprekend, niet begeesterd, noch begeesterend. Onze kiezers gaven trouwens evenmin blijk van vechtlust en van belangstelling voor idealen en principes. Gezapigheid en azen op zo veel mogelijk welstand: dàt zag je. Dat zie je nog immer. En ook: als kiezer weglopen zodra er ook maar iets fout gaat of niet strookt met je gemakzuchtige verwachtingen.

Andere zienswijzen zijn er. Je hoeft maar het beginselprogramma te lezen om ze te vinden: zienswijzen die moderner zijn, meer mondiaal gericht, niet meer uitgaand van klassenstrijd, e.d. Toch zou je graag zien dat ze meer ‘enthousiasme’ te weeg brachten. Die romantische schwung zoals hierboven genoemd ontbreekt tegenwoordig. De politiek lijkt zakelijker, vlakker geworden in de loop van de tijd; zijn misschien de kiezers van nu ook kritischer, cynischer?

Ik denk dat er wat betreft de verwoording van onze politieke idealen en stellingnames zeker nog wel winst te boeken valt. In ‘s hemelsnaam vermijd in ieder geval die afschuwelijke gemeenplaatsen en inhoudsloze kreten (b.v. dat overal altijd weer ‘knokken’ en ‘op de schop’, en ‘voor onze kinderen’ en ‘met mekaar’ en ‘allemaal samen’). We hebben nog veel te winnen bij betere formuleringen, een betere redactie, meer aansprekende teksten. Dit geldt op alle niveaus. Het moet niet goedkoop worden, of gewild populair, wel zonder poeha of dikdoenerij met woorden, en vooral verrassend, aansprekend.

Wie herschrijft onze programma’s zó dat ze kunnen worden uitgegeven en verspreid als een moderne sociale roman? Het is verdikkie toch niet niks, wat we willen met de mensen en de staat! In zijn algemeenheid, nationaal en lokaal, zet competente mensen aan het werk om wat we te zeggen hebben aantrekkelijker te maken.